|
|
Clach-Sangh.
Ick hoorden dees daghen Een maeghdeken claghen, Wat moet ick,, wat moet ick verdraghen Door't minnen,, dat sinnen Met vleyen quamp winnen, Dat pijnt my, dat pijnt my van binnen.
Voor desen ick lachten, Nu eynd ick mijn nachten In tranen,, in tranen en clachten: Ghenuchten,, en cluchten Van my nu onvluchten, Verhandert verhandert in suchten.
| |
|
Omazur, Nicolaus (auteur),
LABYRINTHUS CUPIDINIS. DAT IS DEN DOOL-HOF DER LIEFDE, Waer in eertijts DAPHNE (van APPOLLO vervolght sijnde) verkeerden in eenen Lauw'rier-boom. Verçiert met Roose-Tuynen van Rijmen, ghestelt op de nieuwste Dans-wijsen ende Stemmen van desen tijt, Bestaende in Minne-Liedekens, Herders-Sanghen, Veldt-deuntjens, etc. Hic Labyrinthus adest? quod, si delaberis intus? Non Labyrinthus erit, sed labor intus erit.
|
1663
|
Den Haag KB: 174 G 49 |
p25 |
|
Transcriptie van titel en liedtekst, naar microfilm, diplomatisch. Door Freya Jorens, correctie door Maartje De Wilde. |
|